Wat gebeurt er als een aandeelhouder zijn aandelen overdraagt vóór de volstorting ervan? Ook onder het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) blijft die vraag relevant.

Oud versus nieuw

Het oude Vennootschapsrecht legde voor de meest relevante
vennootschapsvormen een minimum maatschappelijk kapitaal op. Voor een bvba
bedroeg dat minimumkapitaal 18.550 euro, en voor een nv, 61.500 euro. De
aandeelhouder moest die som niet meteen volledig aan de vennootschap storten.
Het minimale vol te storten kapitaal bedroeg voor de bvba, 20% – met een minimum van
6.200 euro, en voor de nv, 25% – met een minimum van 61.500 euro.

Vandaag, onder het WVV, kent alleen nog de nv een minimum maatschappelijk
kapitaal (waarvan nog steeds minstens 25% volgestort
moet worden – met een minimum van 61.500 euro).
De opvolger van de bvba, de
bv, heeft geen minimum maatschappelijk kapitaal meer. 

Cassatie over de volstortingsplicht

Wat gebeurt er met de volstortingsplicht als de aandeelhouder zijn
aandelen overdraagt vóór de volstorting? Komt de volstortingsplicht dan bij de
nieuwe aandeelhouder te liggen of blijft die hangen bij de vorige
aandeelhouder?

Onder de vroegere wetgeving bestond er enkel voor de nv’s een uitdrukkelijke
regeling. Het betrokken artikel bepaalde dat de ex-aandeelhouder na de
overdracht nog steeds ten belope van het niet-volgestorte bedrag moest bijdragen
in de schulden van vóór de openbaarmaking van de overdracht.

Die regel is eigenlijk ingegeven door de vrees dat de aandeelhouder zijn
aandelen zou overmaken aan een onvermogend iemand. Stel dat de nv in financiële
problemen komt, terwijl de aandeelhouder nog 200.000 euro moet storten. Als de
aandeelhouder de aandelen dan zou overdragen aan een andere, bijvoorbeeld lege
vennootschap, zouden de schuldeisers geen baat meer hebben bij het vervolgen
van de aandeelhouder voor de volstorting van de aandelen.

In een arrest van 2 september 2022 doet Cassatie uitspraak over de oude regeling, maar dan voor de
bvba. En voor de bvba bestond er, in tegenstelling tot de nv, geen
uitdrukkelijke wetsbepaling
. Het Hof van Beroep van Gent had daaruit afgeleid
dat schuldeisers van de bvba géén volstorting konden eisen van de
ex-aandeelhouder.

Het Hof van Cassatie verbreekt dat arrest. Het hof oordeelt dat onder de vorige
wet:
a) de overdrachten en de overgangen ten aanzien van de vennootschap en
van derden pas vanaf de datum van inschrijving in het register van aandelen
gebeuren, en
b) na de inschrijving van de aandelenoverdracht in het register
van aandelen de overdrager van de niet-volgestorte aandelen door de vennootschap
en door derden niet tot volstorting kan worden aangesproken om bij te dragen in
de na die inschrijving ontstane vennootschapsschulden. Omgekeerd: hij kan ná die
inschrijving nog wél door de schuldeiser tot volstorting worden aangesproken
,
maar dan beperkt tot de voordien ontstane vennootschapsschulden.

Het WVV

Het WVV bevat nu wel een regeling, zowel voor de nv, als voor de bv. Art. 5:66
van het WVV bepaalt voor de bv dat bij overdracht van een niet-volgestort
aandeel, zowel de overdrager als de overnemer, hoofdelijk gehouden zijn tot
volstorting, tegenover de vennootschap én tegenover derden. Dat is dus strenger
dan de oude wettelijke regeling voor de nv’s. en ook strenger dan wat Cassatie
tot nu besliste voor de oude bvba’s.

Algemeen wordt echter aangenomen dat een aandelenoverdracht van niet-volgestorte
aandelen die plaatsvond vóór de wetswijziging, ook nog geregeld wordt volgens de
oude wettelijke bepalingen, en niet volgens de nieuwe.

Andere berichten