Vennootschapsbelasting: minimumbezoldiging voor de bestuurders

//Vennootschapsbelasting: minimumbezoldiging voor de bestuurders
Vennootschapsbelasting: minimumbezoldiging voor de bestuurders

Vennootschapsbelasting: minimumbezoldiging voor de bestuurders

Kleine ondernemingen kunnen genieten van een lager tarief vennootschapsbelasting. Er zijn een rist voorwaarden waaraan u moet voldoen, waaronder een minimumuitkering aan de bestuurder. Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting in 2017 werd een extra “sanctie” voorzien bij niet-naleving ervan. Die sanctie is ondertussen al weer opgeheven, maar de voorwaarde bestaat nog wel.

Lager tarief, meer bezoldiging

De hervorming vennootschapsbelasting van 2017 was gebouwd rond de verlaging van de vennootschapsbelasting. Het standaardtarief bedraagt 29% voor aanslagjaar 2019 en vanaf aanslagjaar 2021 daalt het naar 25%. Het verlaagd tarief voor kleine vennootschappen bedraagt slechts 20% op de eerste schijf van 100.000 euro. Daarboven geldt het standaardtarief.
Voor de aanslagjaren 2019 en 2020 moeten deze tarieven nog met 2% crisisbijdrage verhoogd worden. Vanaf aanslagjaar 2021 valt die bijdrage weg.

Het verlaagd tarief vennootschapsbelasting is wel aan enkele voorwaarden onderworpen. Eén van de voorwaarden is dat de vennootschap een minimumbezoldiging moet betalen aan minstens één bestuurder. Die voorwaarde bestaat al meer dan 20 jaar, maar het bedrag van de minimumbezoldiging werd in 2017 opgetrokken van 36.000 euro naar 45.000 euro (of ten minste een bedrag gelijk aan het belastbare resultaat als dat kleiner is dan 45.000 euro). Keerde de vennootschap onvoldoende bezoldiging uit, dan gaat het verlaagd tarief verloren en betaalt de vennootschap 29% over haar volledige winst, een verschil van 9% op maximum 100.000 euro dus.
Merk nog op dat voorwaarde van een minimumbezoldiging voor het verlaagd tarief niet geldt gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf de oprichting van de vennootschap.

Goedkoper via een vennootschap?

Als het tarief vennootschapsbelasting “slechts” 29% bedraagt (en voor kleine vennootschap zelfs maar 20%), dan zou het wel eens erg verleidelijk kunnen zijn om activiteiten in de mate van het mogelijke via een vennootschap te laten lopen in plaats van rechtstreeks als natuurlijk persoon. Uw beroepsinkomen ondergaat in de personenbelasting al snel een tarief van 50% (ongeveer vanaf 40.000 euro inkomen). Steek er een vennootschap tussen en u kan het inkomen als het ware verdelen tussen u en de vennootschap.

De regering zag deze belastingontwijking niet zo zitten. Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting in 2017 voorzag ze dus ook in een nieuwe belasting. Vennootschappen (klein of niet) zouden een belasting van 5% moeten betalen op het verschil tussen 45.000 euro en de hoogst toegekende bedrijfsleidersbezoldiging. Een kleine vennootschap zou dus twee keer langs de kassa moeten passeren als zij geen 45.000 euro bezoldiging zou uitkeren aan minstens één bestuurder: een afzonderlijke aanslag van 5% plus het verlies van het verlaagd tarief.

Reparatie: het is er nooit geweest

Maar de afzonderlijke aanslag komt er niet. De regering draaide de maatregel volledig terug. De repartiewet trekt de belasting weer in en het is alsof de aanslag nooit heeft bestaan. Kleine vennootschappen hebben er nog steeds belang bij om de voorwaarde van een minimumbezoldiging van 45.000 euro na te leven. Andere vennootschappen zijn er van verlost.

2019-09-03T13:07:08+00:00 23 juni 2019|